kolderiek
|
-
JEUGD
Ach, ik klaag maar wat
Nu weer de kapper uit mijn jeugd,
met zijn roomse kniptang paraat
links de scheiding, rechts de deugd
als een spiegel die achter mij loopt
langs de winkelruiten in de straat,
vergeet het
Je wordt kaal
er bestaat geen hoop,
is wat hij grijnst
er rest niet iets
zoiets als grijs,
dat overblijft
|