Voilà, de maan en het beeld
Hoor ze praten over de zwaarte,
hun adem over oceanen, land
omrand door zee – het gepeins raakt hen
onze bol daar, ogenschijnlijk plat
waar licht geveinsd vissen schitteren
de schubben schuren, een regenboog
ongrijpbaar hoog in goud verschiet
waar woud in steen verdraait – zij
die de kloof zien, onder zomer, hier
krakend in vorst een nederig taalgebied –
vandaar al dat vertier vol bont en lover,
zo onderricht ons sterrenbeeld, rond
Nieuwjaar weer verrijst daar licht,
waaien bekaaide tijden stilaan over,
waarmee verdraaid het nieuwe komt
|