|
jij en ik
gaan over de hoge brug
met rechte rug, in schrik 'n
doffe plof, 'n opstuivend rotje,
kinderlach verklapt de sterrenpret;
nog vijf te gaan, in de kurkloze fles
stottert het sputterspugend lontje.
Zij verbeelden het nieuwe jaar,
wolken golvend in rook en vuur
en na de kus op slag van uur
zien we twinkelend omhoog:
wonderschoon de kleurenboog
van kijvende keukenmeiden,
we stellen ons voor, ogen dicht,
het aldoor licht te laten blijven.
|